De groeispurtmeting geeft een schatting van het moment waarop een kind het snelst groeit: de piek van de groeispurt. Het is een schatting, geen exacte voorspelling. Wie weet hoe nauwkeurig die schatting is en waar de marges zitten, kan de uitkomst goed gebruiken in de training.
Waarom een schatting?
De piek van de groeispurt is pas met zekerheid vast te stellen als hij voorbij is. Daarvoor moet je een kind jarenlang regelmatig meten en achteraf kijken wanneer de groei het snelst ging. Voor trainers is dat te laat: zij willen vooraf weten wat eraan komt.
Daarom gebruikt de groeiberekening de methode van Mirwald, waar ook het Athletic Skills Model op voortbouwt. Op basis van één meting van lengte, zithoogte, gewicht, leeftijd en geslacht schat de formule hoe ver een kind van de piek af zit. Die afstand heet de afstand tot de piek, uitgedrukt in jaren vóór of na de piek.
Hoe nauwkeurig is de schatting?
Onderzoek laat zien dat de schatting gemiddeld goed uitkomt, maar per kind een marge heeft van ongeveer een half jaar naar beide kanten. Bij een deel van de kinderen kan het verschil oplopen tot een jaar. Dat betekent: als de berekening zegt dat de piek over een jaar komt, ligt de werkelijke piek waarschijnlijk ergens tussen een half jaar en anderhalf jaar.
Voor het indelen in groeiperiodes is dat meestal nauwkeurig genoeg. De fases P1, P2 en P3 beslaan elk meerdere jaren. Alleen rond de overgang van de ene naar de andere fase is voorzichtigheid op zijn plaats.
Wanneer is de schatting minder betrouwbaar?
De formule werkt het best voor kinderen die dicht bij de piek zitten. Hoe verder een kind ervan af is, hoe groter de onzekerheid. Let vooral op deze situaties:
- Jonge kinderen, ver vóór de piek. De formule heeft de neiging de piek bij hen te vroeg in te schatten.
- Kinderen die al ver na de piek zitten. Ook hier wordt de schatting minder precies.
- Kinderen die veel vroeger of later rijp zijn dan gemiddeld. De formule trekt de uitkomst iets naar het gemiddelde toe. Bij een vroegrijp kind komt de piek daardoor soms nog eerder dan berekend, bij een laatrijp kind soms nog later.
- Onnauwkeurige metingen. Een fout van een paar centimeter in de zithoogte kan de uitkomst maanden verschuiven.
Zo maak je de berekening betrouwbaarder
Meet vaker. Eén meting geeft een eerste beeld. Bij elke nieuwe meting rekent de groeiberekening de piek opnieuw uit. Blijft de uitkomst over meerdere metingen ongeveer gelijk, dan is de schatting betrouwbaarder. Schuift hij steeds op, dan weet je dat je voorzichtig moet zijn.
Kijk naar de groeisnelheid. Neemt de groei per maand toe, dan komt de piek eraan. Neemt hij af, dan is de piek voorbij. Dat is een goede controle op de berekening.
- Meet elke drie à vier maanden, op een vast moment van de dag.
- Meet steeds op dezelfde manier, met dezelfde kruk, meetlat en weegschaal.
- Laat bij voorkeur dezelfde persoon meten.
- Meet twijfelgevallen opnieuw. In het meetformulier zie je de vorige meting; een grote, onverwachte sprong is vaak een meetfout.
Hoe gebruik je de uitkomst in de praktijk?
Zie de berekende piek als een richtpunt met een bandbreedte. Zit een kind volgens de berekening een half jaar vóór de start van de groeispurt, ga er dan van uit dat het ook al in de groeispurt kan zitten. Combineer de uitkomst met wat je ziet: groeit een kind zichtbaar hard, is het tijdelijk onhandiger of heeft het vaker klachten aan knie of hiel, dan zijn dat signalen die de berekening bevestigen.
Gebruik de groeifase vooral om de training af te stemmen, niet om kinderen te selecteren of te beoordelen. Daarvoor is de marge te groot en is de ontwikkeling van een kind te veelzijdig.
In het kort
- De berekening is een schatting met een marge van ongeveer een half jaar, soms meer.
- Ze is het nauwkeurigst rond de piek en minder nauwkeurig ver ervoor of erna.
- Meerdere, zorgvuldige metingen maken de schatting betrouwbaarder.
- Combineer de uitkomst altijd met je eigen observaties.
De berekening is een hulpmiddel en vervangt geen medisch advies. Bij aanhoudende klachten: raadpleeg een (sport)arts of fysiotherapeut.


